Nog een beetje dizzy werd ik, na een chirurgische ingreep vorig jaar zomer, een kamer op de verpleegafdeling ingereden. In het bed schuin tegenover me was alleen een bult onder de deken te zien. In de loop van de dag kwam er een hoofd tevoorschijn, schouderlange grijze haren, baard, ingevallen wangen, slecht gebit. Na een uitgebreide douchebeurt, pleegde mijn kamergenoot een telefoontje en verliet in een trainingspak de kamer, en naar ik vermoedde, het pand. Ik vroeg me af of ik soms een kamer deelde met een verslaafde. Dat idee voelde ongemakkelijk, automatisch ging ik na welke waardevolle dingen ik om mij heen had en wat als er iets zou missen? Maar, zoals dat gaat in een ziekenhuis, je bent lotgenoten. Dus we wensten elkaar goedemorgen, maakten een praatje en wisselden wat medische informatie uit. Elke dag verdween mijn kamergenoot een tijdje en daarna waren we weer collega-patiënt. Kortom, geen vuiltje aan de lucht.
Maanden later fietste ik langs een AH in de buurt. En daar zat hij, op de grond bij de ingang, met de Daklozenkrant. Ik stapte af en begroette hem: “Wij hebben samen in het ziekenhuis gelegen! Hoe gaat het?” Hij herkende me meteen, sprong op en riep: “Mevrouw, u leeft nog!” en voor ik het wist sloeg hij zijn magere armen om me heen en gaf me een stevige omhelzing. Ik realiseerde me nog net op tijd dat hij “schoon op zijn lijf was” en gaf hem een goeie knuffel terug.
Maar dat was niet de eerste knuffel die ik van een dakloze kreeg. Want een poosje daarvoor, niet zo heel lang na de ziekenhuisopname, strandde ik in de Vijzelstraat. Mijn fiets was van de standaard gewaaid en ik kon (en mocht) hem niet alleen overeind tillen. Ik keek om me heen om hulp, niemand te bekennen, behalve een man die verderop op een muurtje zat. Zwarte muts, zwarte broek en jack, stevige schoenen, rugzak naast zich, blikje in de hand. Een verweesde arbeidsmigrant schatte ik in. In een fractie van een seconde realiseerde ik me dat ik niet geneigd was om hem hulp te vragen en direct besloot ik om dat juist wél te doen. Ik liep naar hem toe, wees naar mijn omgevallen fiets en gebaarde of hij me wilde helpen. Hij sprong op en liep mee. In een grote zwaai zette hij mijn fiets weer rechtop en nee, ik mocht niet meehelpen. Hij was zo aardig, dat ik voorzichtig vroeg of ik hem wat geld mocht geven. Hij schudde beslist zijn hoofd en wees naar de lucht. Ik begreep dat hij zijn beloning van God of Allah verwachtte. Ik maakte een dankgebaar met mijn handen gevouwen voor mijn borst en hij lachte breeduit. Het ontroerde me. Voor ik het wist omhelsden we elkaar. Toen ik wegfietste en nog eens achterom keek, zwaaide hij me na.
| Wil je reageren? Dat kan. Je kunt Ineke bereiken op ineke@stadsdorpwesterpark.nl Alle blogs zijn hier terug te lezen. |
.jpg)
.png)